gepeins

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

schaker in diep gepeins verzonken
Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·peins
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gepeins
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gepeins o [1]

  1. voortdurend heel diep (en vaak ook zorgelijk) nadenken
    • Met de Kerst in het vooruitzicht begint ook weer het jaarlijkse gepieker en gepeins over het kerstdiner.[2] 
    • Ze schrok op uit haar gepeins toen er op de deur werd geklopt. Nick leunde een beetje onhandig op zijn krukken, vooral omdat hij het met een hand ook nog een fles wijn vasthield. “Hi”, zei hij. “Heb jij glazen?” Zijn stem sloeg een beetje over. Kennelijk hoorde hij dat zelf ook want hij kreeg meteen een rood hoofd.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 02 dec. 2016
  3. de Telegraaf BIBI 21 mrt. 2015