gebeuzel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·beu·zel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gebeuzel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gebeuzel o

  1. het aanhoudend uitkramen van onzinnigen, onbeduidende, nietige zaken
    • „Hij citeert hen vaak, maar ziet altijd verder dan zij. Hellenbroek las Jesaja als een heenwijzer naar de komst van Christus. Soms citeert hij de rabbijnen met instemming, maar vaker treedt hij met hen in discussie en gaat dan exegetisch een andere kant op dan zij deden. Een enkele keer noemt hij hun exegese Joodse prietpraat en gebeuzel.”[1] 
    • De Belgen daarentegen, keken eerst de kat uit de boom en bestelden maar enkele van deze treinstellen om er na de gebleken ondeugdelijkheid van deze treinen, weloverwogen een streep onder te zetten. Geen gebeuzel en gepolder, getreuzel en geaarzel, wat zo kenmerkend is voor Nederland. Inmiddels hebben zij al 37 miljoen Euro teruggekregen van Ansaldo Breda, wat wel eens het equivalent zou kunnen zijn van alleen al de juridische kosten die Nederland zal moeten maken om onder het contract uit te komen. Met zulk beleid komen wij nooit uit de crisis."[2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

52 % van de Nederlanders;
56 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Reformatorisch Dagblad Jan van ’t Hul 05-06-2013 Twee neerlandici herschrijven ”De evangelische Jesaja” van Hellenbroek
  2. de Telegraaf 04 jul. 2013 WUZmail: 'Slimme Belgen'
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be