gezwets

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·zwets
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gezwets -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gezwets o [1]

  1. onsamenhangend gepraat, gewauwel

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen