Naar inhoud springen

gauw

Uit WikiWoordenboek
  • gauw
  • In de betekenis van ‘snel, spoedig’ voor het eerst aangetroffen in 1220 [1]
  • Afkomstig uit het Middelnederlandse bijvoeglijke naamwoord gauwe, gouwe ‘snel, vlug, haastig’, aanpassing van Middel-/Oudnederlands (bijwoordelijk gālīco), uit Oergermaans *ganhuz, van onbekende verdere herkomst.[2][3] Evenals Nederduits gau, Luxemburgs géi en Duits jäh ‘abrupt, steil; plotseling, haastig’.

gauw

  1. binnen een kort tijdsbestek
    • Kleed je gauw om. 
     Hij had iets bekends, maar ik wist zo gauw niet wat.[4]
     Toen begreep ze het, en ze trok gauw een onderdanig gezicht, terwijl ze nog steeds de echo van de hoopvolle stem van de vrouw hoorde, haar paniekerige ademhaling toen ze besefte dat ze niet Harold aan de lijn had.[4]
  2. zeer binnenkort
    • De bus zal wel gauw komen. 
     Desondanks hing er een vreemd gevoel van twijfel in de lucht, de cyclische hoop dat alles gauw achter de rug zou zijn, dat de republikeinse regering het verzet zou organiseren tegen deze nationalistische rebellen en hun buitenlandse bondgenoten, die steeds grotere delen van het land in handen kregen.[4]
  1. (binnen een kort tijdsbestek)
  2. (zeer binnenkort)
  1. (binnen een kort tijdsbestek)
  • Gauw aangebrand zijn
gauw geïrriteerd zijn
  • Gauw op de teentjes getrapt zijn
erg gauw boos en beledigd zijn
  • Als apen hoger klimmen willen, ziet men gauw hun blote billen
zich voornamer voordoen dan men in het echt is, met gezichtsverlies tot gevolg
  • Een kinderhand is gauw gevuld
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[5]