gauwziekte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gauw·ziek·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gauwziekte
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gauwziekte v

  1. (zoogdieren) hartverlammende ziekte bij schapen door eten van vergiftigde bladeren
    •  

Gangbaarheid