evenwicht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • even·wicht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord evenwicht evenwichten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

evenwicht o [2]

  1. (natuurkunde) toestand waarin het gewicht aan beide zijden van een balans gelijk is
    • Door toevoeging van dat laatste gewicht kwam de weegschaal weer in evenwicht. 
  2. bij uitbreding: toestand waarbij verschillende op eenzelfde lichaam werkende krachten elkaar opheffen
    • Uiteindelijk stopte de wijzer met heen en weer bewegen en kwam bij de waarde 73,5 A in evenwicht. 
  3. toestand van rust of overeenstemming, doordat van verschillende krachten geen de andere te zeer overtreft
    • Het politieke krachtenveld was in evenwicht. 
  4. (psychologie) toestand van overeenstemming tussen neigingen en vermogens
    • Na een roerige periode in zijn leven kwam hij na zijn trouwen eindelijk in evenwicht. 
  5. (scheikunde) toestand waarbij geen verdere omzetting meer plaatsheeft of die in de ene richting gelijk is aan die in de andere
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • in evenwicht blijven
overeind blijven, niet vallen
    • Nadat het Moeraspaard deze woorden gezegd had stoof het er zo snel vandoor, dat Kleine Woord bijna van zijn rug aftuimelde. Maar hij wist zijn evenwicht te bewaren. [3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 54


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

evenwicht

  1. evenwicht