els

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • els
Woordherkomst en -opbouw
  1. (erfwoord) via Middelnederlands else van Oudnederlands elisa, voor het eerst aangetroffen in 772; uit Oergermaans *alísō, bij Indo-Europees *h₁el(i)s-, vergelijk Latijn alnus, Sloveens jélša en Litouws álksna, al̃ksinis; daarnaast met grammatische wisseling Nederduits Eller en Duits Erle [1][2][3][4]
  2. (erfwoord): Middelnederlands elsene, alsene, else, uit Oergermaans *alasn(j)ō, evenals Nederduits Els, Zwitser-Duits Alesne en Gotisch alisna, uitbreiding van *alaz, waaruit Oudnoords alr, bij Indo-Europees *h₁h̥₁l-h₂-ós ‘els, priem’, genitief van *h₁éh₁l-eh₂, vergelijk Duits Ahle, Sanskriet árā en Hotanees aiysna [5][6][7]
enkelvoud meervoud
naamwoord els elzen
verkleinwoord elsje elsjes

Zelfstandig naamwoord

els

  1. m (plantkunde) Alnus op Wikispecies, een geslacht bomen uit de berkenfamilie (Betulaceae)
  2. v (gereedschap) een priemvorming werktuig bedoel om gaten mee te prikken
Synoniemen
  1. elzeboom, elzenstruik
  2. aal, priem, zeilpriem, marlpriem, marlpen, marlspijker
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord els else

Zelfstandig naamwoord

els

  1. (gereedschap), (plantkunde) els


Catalaans

Lidwoord

els m mv

  1. de

Persoonlijk voornaamwoord

els m mv

  1. hen, ze (lijdend en meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)
  2. u (lijdend en meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)

els v mv

  1. hen, ze (meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)
  2. u (meewerkend voorwerp, vóór het werkwoord)