priem

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een priem

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • priem
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘gebed’ voor het eerst aangetroffen in 1236 [1] [2] [3] [4]
enkelvoud meervoud
naamwoord priem priemen
verkleinwoord priempje priempjes

Zelfstandig naamwoord

priem m

  1. (gereedschap) handgreep met ronde, scherpgepunte staaf om kleine gaten of putjes in materiaal (leer) te steken
  2. (plantkunde) Orobanche minor op Wikispecies, klavervreter
  3. (religie) derde getijde van de dag, op het eerste uur
Gelijkklinkende woorden
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
priemen

priem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van priemen
    • Ik priem. 
  2. gebiedende wijs van priemen
    • Priem! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van priemen
    • Priem je? 
stellend
onverbogen priem
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

priem

  1. (wiskunde) een priemgetal zijnde
    • het getal dertien is priem 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen