elzenbos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • el·zen·bos
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord elzenbos elzenbossen
verkleinwoord elzenbosje elzenbosjes

Zelfstandig naamwoord

elzenbos [1]

  1. bos met elzen Alnus op Wikispecies
     Daar zijn kleine aarden heuveltjes waar gewoonlijk watersnippen zitten en dan is het moerassig rondom dat riet, helemaal tot aan het elzenbos daar en tot vlak bij de molen.[2]
     Hak je een els om, dan kleurt de stobbe of stam rood. Dit natuurverschijnsel was onverklaarbaar. Toen ontstond het volgende elzenpraatje. Dat rode ‘bloed’ wees op de duivel. Hij greep een geit en sleurde hem het elzenbos in. Het dier zette zich schrap. De boze trok aan zijn staart, die brak af en de elzenwortels zogen het bloed op.[3]


Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Lev Tolstoj (vert. Wils Huisman)Anna Karenina” op Wikipedia (1877), G.A. van Oorschot op Wikipedia, ISBN 9789028276062
  3. Bronlink geraadpleegd op 25 maart 2022 Weblink bron P. van der Waal “Elzenpraat” (23 januari 2017), Reformatorisch Dagblad