ekster

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Ekster

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ek·ster
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ekster eksters
verkleinwoord ekstertje ekstertjes

Zelfstandig naamwoord

ekster v/m

  1. (vogels) Pica pica op Wikispecies, een zwartwitte kraaiachtige zangvogel met een lange staart
    • Er zit een ekster in de boom. 
    • Mijn gouden ring is gestolen door een ekster. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord ekster eksters

Zelfstandig naamwoord

ekster

  1. (vogels) ekster