glans

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • glans
enkelvoud meervoud
naamwoord glans glansen, glanzen
verkleinwoord glansje glansjes

Zelfstandig naamwoord

glans m [1]

  1. opmerkelijk lichtschijnsel door weerkaatsing
    • De glans van de lak kan gemakkelijk hersteld worden met een goede wasbeurt. 
  2. overdrachtelijk de schittering van een opmerkelijke daad, een unieke prestatie of een grote reputatie
    • De aanwezigheid van de koningin gaf grote glans aan het jubileum. 
  3. eikel (ook van penis en clitoris) [2]
Anagrammen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
glanzen

glans

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van glanzen
    • Ik glans. 
  2. gebiedende wijs van glanzen
    • Glans! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van glanzen
    • Glans je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
glans
geglans
volledig

Werkwoord

glans

  1. glanzen



Engels

enkelvoud meervoud
glans glans, glandes

Zelfstandig naamwoord

glans

  1. (anatomie) eikel