glans

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • glans
enkelvoud meervoud
naamwoord glans glansen, glanzen
verkleinwoord glansje glansjes

Zelfstandig naamwoord

glans m

  1. opmerkelijk lichtschijnsel door weerkaatsing
    De glans van de lak kan gemakkelijk hersteld worden met een goede wasbeurt.
  2. overdrachtelijk de schittering van een opmerkelijke daad, een unieke prestatie of een grote reputatie
    De aanwezigheid van de koningin gaf grote glans aan het jubileum.
Anagrammen

Werkwoord

vervoeging van
glanzen

glans

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van glanzen
    Ik glans.
  2. gebiedende wijs van glanzen
    Glans!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van glanzen
    Glans je?

Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
glans
geglans
volledig

Werkwoord

glans

  1. glanzen


Engels

enkelvoud meervoud
glans glans, glandes

Zelfstandig naamwoord

glans

  1. (anatomie) eikel