constitutie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·sti·tu·tie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord constitutie constituties
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

constitutie v [2]

  1. gestel, lichamelijke gesteldheid
    • De boerenzoon had een ijzeren constitutie. 
    • Hoe komt iemand die overal de zonnige kant van inziet aan zo’n dramatische gezichtsuitdrukking? ‘Groningen. Klei. En het is ook constitutie, genen. Ik merkte het zelf nooit zo. Tot ik voor het televisieprogramma Sterren op het Doek geschilderd werd en het steeds over die hangende mondhoeken van me ging. Ik vat alles vrolijk op, maar ik ben daarna bijna gaan denken aan een facelift.’ [3] 
  2. grondwet
    • Door de noodtoestand werd de constitutie buiten werking gesteld. 
  3. oprichting, instelling
  4. samenstelling
    • De constitutie van Coca-Cola is een goed bewaard geheim. 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen