conservator

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·ser·va·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord conservator conservatoren
conservators
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

conservator m

  1. (beroep) bewaarder in musea en bibliotheken belast met de aanschaf van en de zorg voor de collectie
    • In 1904 was hij begonnen als conservator. In die tijd was zijn museum het belangrijkste archeologische instituut en Holwerda de bekendste archeoloog van Nederland. Achteraf gezien zou je hem beter de titel kunnen geven van archeoloog die er het vaakst náást zat.[3] 
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen