trustee

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trus·tee
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord trustee trustees
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

trustee m [2]

  1. beheerder, vertrouwenspersoon
     De overheidscommissaris wordt langzaam vervangen door een 'trustee', die de belangen van de staat behartigt. Zo'n persoon kun je veel meer bevoegdheden geven, aldus Dijsselbloem.[3]
     We zijn, zegt hij, op aarde als ”trustee” (beheerder). Je moet beheren wat de doden hebben nagelaten voor het welzijn van de ongeborenen, en dat geldt niet alleen voor het menselijke, maar ook voor het natuurlijke kapitaal.[4]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

51 % van de Nederlanders;
41 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. trustee op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink Weblink bron “Dijsselbloem: fiasco SNS zou nu niet meer gebeuren” (23-01-2014), Tubantia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be