conjunctuur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·junc·tuur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord conjunctuur conjuncturen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

conjunctuur v

  1. (economie) de verandering van het groeipercentage van de economie of de productie op de korte termijn
    • Aandacht voor de conjunctuur in de media en de academische wereld schommelt net zo sterk als de conjunctuur zelf.[2] 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Paroniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen