brace
Uiterlijk
- Geluid: brace (VK) (hulp, bestand)
- IPA: /braɪs/
- Via Middelengels brace van Oudfrans brace. Verder van Latijn bracchia, meerv. van bracchium, "arm (lichaamsdeel)"
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| brace | braces |
brace
- (techniek) steun zn , stut zn , schoor zn
- (techniek) booromslag
- (techniek) beugel zn [1]
- (tandheelkunde) beugel zn [3]
- band zn [1, 2], riem zn
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to brace |
| he/she/it | braces |
| verleden tijd | braced |
| voltooid deelwoord |
braced |
| onvoltooid deelwoord |
bracing |
| gebiedende wijs | brace |
brace
- wederkerend ~ oneself zich schrap zetten
- «They braced themselves against the oncoming high wave.»
- Ze zetten zich schrap tegen de hoge aanrollende golf.
- «They braced themselves against the oncoming high wave.»