brasserij

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bras·se·rij
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord brasserij brasserijen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

brasserij v [1]

  1. een bijeenkomst waarbij men teveel eet en drinkt
    • Ook in het vijfde deel van zijn ”Christelijke huishouding” gaat Wittewrongel weer op tal van thema’s in: het lezen van de Heilige Schrift, de christelijke gesprekken, het zingen van de psalmen, het openlijk belijden van de ware religie, het gebruik van de sacramenten, roomse feesten, kaartspel, dansen, brasserij en dronkenschap, versieren en oppronken, toneel. Steeds opnieuw wijst de predikant erop dat „de gedaante dezer wereld voorbij” gaat. „Wij hebben een te grote liefde voor de wereld”, waarschuwt hij; „wij bedenken niets anders dan aardse dingen.” [2] 
    • rakel ziet in de natuur Gods vaderlijke zorg voor Zijn kinderen. Zij mogen van alles gebruikmaken. Maar wel met een kanttekening: „De wereld is wel uwe, o kinderen Gods (1. Kor. 3:22), maar alleen omdat gij Christus’ eigen zijt, én ten opzichte van eigendom, én ten opzichte van het gebruik. God blijft Eigenaar van alles. Wacht u voor wreedheid nevens het schepsel, voor onnut en moedwillig verderven van hetzelve, want het komt de Heere toe. Wacht u voor het schepsel te misbruiken door brasserij, dronkenschap, pronkerij en hoererij, want het is Godes; maar gebruikt het in vrijheid, tot noodzakelijkheid en eerbaar vermaak, in zien, horen, smaken, ruiken en bekleden. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad A. de Heer 24-01-2017 Petrus Wittewrongel: Reformeert u, o Nederland!
  3. Reformatorisch Dagblad Rudy Ligtenberg 01-06-2018 Bucer en Brakel over natuurbescherming