boete

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boe·te
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘(geld)straf’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1254 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord boete boeten, boetes
verkleinwoord boetetje boetetjes

Zelfstandig naamwoord

boete v/m

  1. een bedrag dat je moet betalen als je een overtreding hebt begaan
    • Ik kreeg een boete omdat ik te hard reed met de auto. 
     Ik voelde een immense opluchting aangezien ik dacht dat we nu veilig waren. Maar dit gevoel duurde niet lang want na een kort praatje schreef hij opeens een officiële boete uit voor de hele groep omdat het blijkbaar verboden was om boven op Mount Whitney te overnachten.[2]
  2. (religie) straf voor (vermeend?) bedreven kwaad
    • Na het doen van boete werden hem alle zonden vergeven. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
boeten

boete

  1. aanvoegende wijs van boeten

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord boete

Zelfstandig naamwoord

boete

  1. boete