boetepreek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boe·te·preek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boetepreek boetepreken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

boetepreek v/m

  1. een beschuldigende speech
    • Justitie stelde vervolging in tegen iedereen die het product verkocht als middel tegen kanker. De minister van Gezondheid kwam met een felle boetepreek tegen allen die „spelen met de gezondheid van ons volk”.[1] 
    • Savonarola - Der schwartze Prophet. Documentaire over Savonarola, monnik in Florence tijdens de Renaissance. Hij voorspelde hel en verdoemenis voor iedere afvallige van het geloof . Met overtuigskracht, want zelfs de paus vreesde zijn boetepreken. [2]  
Synoniemen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC F.G. van Hasselt 22 februari 2007
  2. NRC 17 mei 2008