nabloeien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·bloei·en
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

nabloeien

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
nabloeien
bloeide na
nagebloeid
zwak -d volledig
  1. opleving nadat de eigenlijke bloeiperiode al voorbij is
    • Het is goed mijmeren hier, terwijl de grasklokjes nog nabloeien, de spechten roffelen en de konijnen paren in de bosjes. Leven en dood liggen dicht bij elkaar, op Moscowa. Hier ligt Dirk Troelstra, de jongere broer van Pieter Jelles. En in het columbarium rust de as van Wim Kan.[1] 
  2. (figuurlijk) opleving nadat de eigenlijke bloeiperiode al voorbij is
    • Er bestaat een houtgravure van de vliegenzwam, van M.C. Escher. De kunstenaar heeft er zijn diepste gedachten bij gegraveerd: 'Wasdom van geheimenis, nabloei van de nacht, voos is mijn verrijzenis: een verwezen pracht.'[2] 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Romke van de Kaa 9 september 1999
  2. Volkskrant TROMP 3 december 2012