aarden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aar·den
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van aarde met het achtervoegsel -en
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen aarden

Bijvoeglijk naamwoord

aarden

  1. van aarde gemaakt
    • De stad ligt verschanst achten een aarden omwalling. 
  2. van aardewerk gemaakt
     Eindelijk nam ze een klein aarden kruikje, goot de drank erin, deed er een kurk op en zei: 'Ieder uur tien druppels, drie dagen lang en je paard is weer gezond.'[1]
Verwante begrippen
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aarden
aardde
geaard
zwak -d volledig

Werkwoord

aarden

  1. ergens ~ zich thuis voelen, wennen, gewoon worden
  2. de aard hebben van
  3. wennen
  4. iets ~:(techn.) Een elektrisch toestel of circuit met de aarde verbinden
  5. ~ naar: in aard overeenkomen
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Hyponiemen

Werkwoord

vervoeging van
aren

aarden

  1. meervoud verleden tijd van aren
    • Wij aarden. 
    • Jullie aarden. 
    • Zij aarden. 

aarden

Zelfstandig naamwoord

aarden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord aard
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 13