tieren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tie·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Sinds 1350 in beide betekenissen bekend. Mogelijk van Middelnederlands "tiere": soort, geaardheid.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tieren
tierde
getierd
zwak -d volledig

Werkwoord

tieren

  1. inergatief luidkeels woede uiten, woedend betogen, tekeergaan
    • Hij liep te tieren en te schelden, maar het maakte allemaal niets uit. 
  2. welig ~: uitbundig groeien, gedijen
    • Het onkruid tiert weer welig in de tuin. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.