bleek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bleek
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘wit’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
  • In de betekenis van ‘veld om was te bleken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1520 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bleek bleker bleekst
verbogen bleke blekere bleekste
partitief bleeks blekers -

Bijvoeglijk naamwoord

bleek

  1. gering van kleur
    • Na die skivakantie hadden alle bleke gezichten weer kleur gekregen. 
    • De zieke zag er heel bleek uit, want de bloeddoorstroming van de huid was minder geworden. 
     De anonimiteit en vluchtigheid die een verblijf in een hotel normaal gesproken kenmerken, die de sensatie van treurnis en opwinding teweegbrengen dat je tijdelijk in een niemandsland tussen vertrek van huis en thuiskomst verzeild bent geraakt, waar, omdat er niets gebeurt, net zo goed alles zou kunnen gebeuren, en die een man alleen tussen vreemde lakens na een whisky te veel, achterovergeslagen op een kruk aan de bar in de lobby met een laatste slappe grap voor de stoïcijns glazen polerende barman, op het idee kunnen brengen dat er geen haan naar zou kraaien als hij de nachtportier belde met de vraag of hij iemand kende die haar diensten aanbood, waarbij het alleen die whisky te veel is die hem ervan weerhoudt om dat ook echt te doen, zijn hier in Grand Hotel Europa bleke herinneringen aan een moderniteit die zich ver weg van hier afspeelt in een andere wereld.[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bleken

bleek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bleken
    • Ik bleek. 
  2. gebiedende wijs van bleken
    • Bleek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bleken
    • Bleek je? 

Werkwoord

vervoeging van
blijken

bleek

  1. enkelvoud verleden tijd van blijken
    • Ik bleek. 
    • Jij bleek. 
    • Hij, zij, het bleek. 
Vaste voorzetsels
  • bleek uit
enkelvoud meervoud
naamwoord bleek bleken
verkleinwoord bleekje bleekjes

Zelfstandig naamwoord

bleek v/m

  1. een grasveld waarop wasgoed in het zonlicht te bleken werd gelegd
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen