bleek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bleek
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bleek bleker bleekst
verbogen bleke blekere bleekste

Bijvoeglijk naamwoord

bleek

  1. gering van kleur
    Na die skivakantie hadden alle bleke gezichten weer kleur gekregen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bleken

bleek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bleken
    Ik bleek.
  2. gebiedende wijs van bleken
    Bleek!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bleken
    Bleek je?

Werkwoord

vervoeging van
blijken

bleek

  1. enkelvoud verleden tijd van blijken
    Ik bleek.
    Jij bleek.
    Hij, zij, het bleek.
Vaste voorzetsels
  • bleek uit
enkelvoud meervoud
naamwoord bleek bleken
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bleek v/m

  1. een grasveld waarop wasgoed in het zonlicht te bleken werd gelegd
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie