besef

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·sef
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord besef
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

besef o

  1. een reëel bewustzijn, notitie
    • Het duurde heel lang tot hij het besef kreeg dat hij zijn examen niet vanzelf zou kunnen halen. 
     Alle besef van tijd raakte ik kwijt en ik wist niet meer precies welke dag van de week het was.[1]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beseffen

besef

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beseffen
    • Ik besef. 
  2. gebiedende wijs van beseffen
    • Besef! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van beseffen
    • Besef je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be