plichtsbesef

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plichts·be·sef
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord plichtsbesef -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

plichtsbesef o

  1. bewustzijn van de dingen die men hoort te doen
    • Door hun plichtbesef bleven ze op hun post toen hun bazen vluchtten. 
     Deze conclusie, zijn verklaring van plichtsbesef en de resten van zijn garnalensoesje spoelde hij weg met een grote slok zoete witte wijn, terwijl ik bleef zitten met de vraag hoe hij vanuit dit geïsoleerde hotel, dat op honderden kilometers van zee lag, leiding gaf aan een intercontinentaal georiënteerd maritiem bedrijf, maar ik durfde het niet te vragen, want hij had alweer een nieuw roesje in zijn mond gestopt.[2]
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen