plichtbesef

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plicht·be·sef
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord plichtbesef -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

plichtbesef o

  1. bewustzijn van de dingen die men hoort te doen
    • Ze wist dat de conducteurs staakten, maar uit plichtbesef kocht ze toch een kaartje. 
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen