inzicht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·zicht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord inzicht inzichten
verkleinwoord inzichtje inzichtjes

Zelfstandig naamwoord

inzicht o

  1. het doorhebben hoe iets in elkaar zit
    • Hij heeft een goed inzicht in schaak. 
     Want ik was niet naar Grand Hotel Europa gekomen om de tijd weemoedig te laten verglijden te midden van afgebladderde luxe en krakende glorie in passieve afwachting van een of ander inzicht, dat mij op een gegeven moment zou toevallen als een bloemblad uit een vergeeld boeket. Dat inzicht wilde ik afdwingen en daarom moest ik aan het werk.[1]
  2. het beseffen of erkennen van iets
    • Inzicht is de eerste stap tot verandering. 
  3. inzage; het inzien (van een document)
    • Hij kreeg inzicht in een paar van de belangrijkste documenten. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 19
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be