bezinning

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Bezinning 004.JPG
Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zin·ning
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bezinning bezinningen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bezinning v[1]

  1. terugkomen van een dwaling of een verbijstering
    • Gelukkig kwam hij nog op tijd tot bezinning voordat hij echt domme dingen had gedaan. 
  2. het rustig overdenken van zaken
    • Want ik zeg u eerlijk: er gaan in de hectiek van alledag periodes voorbij waarin bezinning en reflectie er bij inschieten. [2] 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen