godsbesef

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gods·be·sef
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord godsbesef -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

godsbesef o

  1. (religie) besef van het bestaan dan wel de aanwezigheid van een god

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.