bedaren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
bedaren bedarend
- bedaard
Uitspraak
Woordafbreking
  • be·da·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van Middelnederlandshem bedaren,"tot zichzelf komen. Verwanten zijn beperkt tot Fries bedearje. Mogelijk verwant aan bedeesd, daas. In dat geval is een wortel *daz- te vermoeden. met het voorvoegsel be- [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bedaren
bedaarde
bedaard
zwak -d volledig

Werkwoord

bedaren

  1. ergatief tot rust komen, kalm worden
    • Eindelijk bedaarde de vreselijke storm en kon het reddingswerk beginnen. 
  2. overgankelijk kalm maken
    • Hij kon het kind slechts bedaren door het een ijsje aan te bieden. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen