daas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • daas
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord daas dazen
verkleinwoord daasje daasjes

Zelfstandig naamwoord

daas v/m

  1. (insecten) steekvlieg
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘onwijs’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350 [2] [3]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen daas dazer daast
verbogen daze dazere daaste
partitief daas dazers -

Bijvoeglijk naamwoord

daas

  1. onwijs, versuft, gedesoriënteerd
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
dazen

daas

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dazen
    • Ik daas. 
  2. gebiedende wijs van dazen
    • Daas! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dazen
    • Daas je? 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen