lafhartig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • laf·har·tig
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van laf en hart met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lafhartig lafhartiger lafhartigst
verbogen lafhartige lafhartigere lafhartigste
partitief lafhartigs lafhartigers -

Bijvoeglijk naamwoord

lafhartig

  1. slap en laf
    • De lafhartige man verraadde zijn vrouw en kinderen omdat hij bang was anders zelf straf te krijgen. 
Synoniemen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.