schrikachtig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schrik·ach·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen schrikachtig schrikachtiger schrikachtigst
verbogen schrikachtige schrikachtigere schrikachtigste
partitief schrikachtigs schrikachtigers -

Bijvoeglijk naamwoord

schrikachtig

  1. geneigd zijn tot schrikken
    • Zij was een heel schrikachtige vrouw. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.