schrikachtig
Uiterlijk
- schrik·ach·tig
- Naamwoord van handeling van schrikken met het achtervoegsel -achtig
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | schrikachtig | schrikachtiger | schrikachtigst |
| verbogen | schrikachtige | schrikachtigere | schrikachtigste |
| partitief | schrikachtigs | schrikachtigers | - |
schrikachtig
- geneigd zijn tot schrikken
- Zij was een heel schrikachtige vrouw.
- Het woord schrikachtig staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "schrikachtig" herkend door:
| 97 % | van de Nederlanders; |
| 88 % | van de Vlamingen.[1] |
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be