bewapenen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Kanon waarmee de stelling van Amsterdam werd bewapent
Uitspraak
Woordafbreking
  • be·wa·pe·nen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van wapen met het voorvoegsel be- of afgeleid van wapenen met het voorvoegsel be-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bewapenen
bewapende
bewapend
zwak -d volledig

Werkwoord

bewapenen

  1. overgankelijk iets of iemand van wapens voorzien
    • De opstandelingen werden door het buurland bewapend. 
    • Door de dreiging werden de forten weer bewapend. 
  2. wederkerend zich ~: wapens uit hun opslag halen en gaan dragen
    • De politie bewapende zich met zwaarder materieel om aan de bendeoorlog een einde te kunnen maken. 
    • Door de internationale spanningen gingen de verschillende landen zich weer bewapenen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.