zelfbedieningsapparatuur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zelf·be·die·nings·ap·pa·ra·tuur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zelfbedieningsapparatuur
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zelfbedieningsapparatuur v

  1. apparatuur waarmee iemand zichzelf kan bedienen
    • Door de zelfbedieningsapparatuur in de bibliotheek kunnen de pashouders zelf hun boeken scannen. 

Gangbaarheid