app

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • app
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Engels, waar het een verkorting van application (toepassing) is.
enkelvoud meervoud
naamwoord app apps
verkleinwoord appje appjes

Zelfstandig naamwoord

app v

  1. (informatica), (afkorting) een afkorting van "application" een kant en klaar programma waarmee digitale apparatuur bepaalde functies kan vervullen
    • Mobiele apparaten worden steeds veelzijdiger door de apps die ervoor beschikbaar komen. 
Synoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
appen

app

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van appen
    • Ik app. 
  2. gebiedende wijs van appen
    • App! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van appen
    • App je? 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Meer informatie