brandalarm

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[2] brandalarm
Uitspraak
Woordafbreking
  • brand·alarm
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord brandalarm brandalarmen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

brandalarm o [1]

  1. waarschuwing dat er brand is
    • Toch was het boek over Nederland niet het enige documentair getinte boek dat Huf in de jaren vijftig zou maken. Al in 1948 illustreerde hij een uitgave ter gelegenheid van het vijftigjarig jubileum van de Nieuwe Schoolvereniging in Amsterdam met negenendertig foto's, de meeste (uiteraard) van kinderen: schrijvend in hun schriftjes, kijkend naar de poppenkast, spelend op het schoolplein, in het gelid tijdens de gymnastiekles en de oefening van het brandalarm. [2] 
  2. apparaat waarmee men een brandalarm kan geven
    • We hadden het zouter gegeten, er was daar in tijden van extra waakzaamheid ook al eens ontruimd vanwege rookontwikkeling bij een rookpaal op een van de perrons, een niet werkend brandalarm dat dus niet kon afgaan, en een keer om ‘onduidelijke redenen’. [3] 

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Eddie Marsman 22 april 2005
  3. NRC Marcel van Roosmalen 30 maart 2016