alarmeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • alar·me·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
alarmeren
alarmeerde
gealarmeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

alarmeren

  1. (overgankelijk) door alarm oproepen of bijeenroepen
    De politie alarmeerde de brandweer na het ongeluk.
  2. (overgankelijk) in opschudding brengen
    Gealarmeerd door de Spaanse successen besloot koningin Elizabeth van Engeland tussen beide te komen in het conflict.
Vertalingen