aftrek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·trek
enkelvoud meervoud
naamwoord aftrek aftrekken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aftrek m

  1. een bedrag dat ergens afgetrokken wordt
    U krijgt uw gehele borg terug behalve de aftrek voor de schoonmaakkosten.
  2. het in getal verminderen van iets
    Voor de aftrek van studiekosten geldt een drempel.
  3. in trek zijn, populair zijn, van dingen die worden aangeboden, verkocht
    De zelfgemaakte koekjes vonden gretig aftrek.
  4. de actie van het iets verminderen
    Het aftrekken van al of niet reële aftrekposten is een hobby van veel Nederlanders.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aftrekken

aftrek

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aftrekken
    ... dat ik aftrek.