aftrekbaar

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·trek·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aftrekbaar aftrekbaarder aftrekbaarst
verbogen aftrekbare aftrekbaardere aftrekbaarste
partitief aftrekbaars aftrekbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

aftrekbaar

  1. (economie) van kosten die men van het inkomen mag aftrekken en waarover men dan ook geen belasting hoeft te betalen
    • De hypotheekrente op de eigen woning is een voor de belasting aftrekbaar kostenpost. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be