afstuderen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afstuderen
studeerde af
afgestudeerd
zwak -d volledig
Uitspraak
Woordafbreking
  • af·stu·de·ren
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afstuderen

  1. (onderwijs), ergatief het succesvol afmaken van een studie, m.n. in het hoger onderwijs
    • Hij is vorig jaar afgestudeerd en mag zich nu drs. voor zijn naam zetten. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie