afstuderen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afstuderen
studeerde af
afgestudeerd
zwak -d volledig
Uitspraak
Woordafbreking
  • af·stu·de·ren
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afstuderen

  1. (onderwijs), (ergatief) het succesvol afmaken van een studie, m.n. in het hoger onderwijs
    Hij is vorig jaar afgestudeerd en mag zich nu drs. voor zijn naam zetten.
Vertalingen

Meer informatie