Naar inhoud springen

studeren

Uit WikiWoordenboek
  • stu·de·ren
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘leren’ voor het eerst aangetroffen in 1265 [1]
  • afgeleid van het Latijnse studēre met het achtervoegsel -eren [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
studeren
studeerde
gestudeerd
zwak -d volledig

studeren

  1. overgankelijk (onderwijs) het volgen van een opleiding en verwerven van kennis, gewoonlijk aan een universiteit als voornaamste bezigheid
    • Jan studeert in Groningen. 
     Zij ging medicijnen studeren en ontmoette een nieuwe vriend, een jonge Kroatische arts.[3]
     Dat zegt ook kennisinstituut Deltares, dat in Nederland een grote rol heeft in het onderzoek naar de bodem en water. "Deltares heeft een sterke relatie met de VU. We delen kennis, studenten studeren bij ons af of lopen bij ons stage. En een aantal van onze medewerkers komt daar ook vandaan, heeft daar een gedeelde aanstelling of is gedetacheerd", zegt wetenschappelijk directeur Bart van den Hurk, zelf ook gedetacheerd aan de VU.[4]
  2. inergatief het zich concentreren op een bepaalde lesstof om zich deze eigen te maken
    • Je moet Jan niet storen want hij zit te studeren. 
     Als we bedenken dat de oorspronkelijke Huainanzi uit nog twee, tegenwoordig verloren gegane en extreem lijvige delen bestond, dan blijkt Liu's ambitie om een vorst aan het studeren te zetten op zijn zachtst gezegd minder realistisch.[5]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]