adem

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • adem
enkelvoud meervoud
naamwoord adem -
verkleinwoord adempje adempjes

Zelfstandig naamwoord

adem m

  1. (medisch) de lucht die levende wezens in zich opnemen en weer uitdrijven
    De benauwde patiënt kreeg geen adem meer.
    Zijn adem klonk niet goed.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • buiten adem zijn
door grote inspanning heel snel en diep moeten ademen, hijgen
  • een lange adem hebben
een groot uithoudingsvermogen hebben, heel geduldig zijn
  • op adem komen
tot rust komen, uitrusten
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
ademen

adem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ademen
    Ik adem.
  2. gebiedende wijs van ademen
    Adem!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ademen
    Adem je?