asem

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • asem
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord asem
verkleinwoord asempje asempjes

Zelfstandig naamwoord

asem m

  1. adem, levenslucht, ademhaling
    De benauwde man kon haast geen asem meer krjgen.
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
asemen

asem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van asemen
    Ik asem.
  2. gebiedende wijs van asemen
    Asem!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van asemen
    Asem je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl