asem

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • asem
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord asem
verkleinwoord asempje asempjes

Zelfstandig naamwoord

asem m

  1. adem, levenslucht, ademhaling
    • De benauwde man kon haast geen asem meer krjgen. 
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
asemen

asem

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van asemen
    • Ik asem. 
  2. gebiedende wijs van asemen
    • Asem! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van asemen
    • Asem je? 

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders
51 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen