ademstoot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • adem·stoot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ademstoot ademstoten
verkleinwoord ademstootje ademstootjes

Zelfstandig naamwoord

ademstoot m [1]

  1. krachtige uitademing
    • Hij zat op school met Rinus Michels, aan wiens taalgebruik hij een hoofdstuk wijdt. 'Michels sprak niet per zin, maar per woord. En elk woord gaf hij een ademstoot mee. Wat het woord leek uit te rekken. 'Strafschop', je hoorde er de aanloop in, het schieten en het scoren.' [2] 
    • Losser grossiert in overwinningen bij de Zilveren Hoorn. Dat heeft te maken met de Losserse roop, die lang is en bestaat uit zo’n tien noten. Maikel en Maarten: „Wij blazen het hele stuk met een ademstoot. Dat zorgt er voor dat je je adem goed moet verdelen. Je moet ook nog wat over hebben voor het laatste stuk.” [3] 
    • Anderzijds lonkt het wereldrecord van de breedste heupen, dat nu met 251 centimeter op naam van Mikel Ruffinelli staat. ,,In bed vraag ik me soms af of de volgende ademstoot mijn laatste zal zijn. Maar ik heb ook nog nooit een record gebroken: als dat gebeurt, zou ik dat geweldig vinden. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen