adelaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een adelaar (1) in rust
Reconstructie van de adelaar (2) van Legio XV
Typevoorbeeld van een heraldische adelaar (3) met gespreide vleugels

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ade·laar
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘roofvogel’ voor het eerst aangetroffen in 1477 [1]
  • Ontleend aan het Middelhoogduitse adelar (modern Duits Adler), dat een samenstelling is van adel (edel) en are (arend) en dus "edele arend" betekent [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord adelaar adelaars
verkleinwoord adelaartje adelaartjes

Zelfstandig naamwoord

adelaar m

  1. (vogels) een roofvogelsoort
  2. (militair) een veldteken of standaard met de afbeelding van een adelaar (m.n. in het Romeinse leger)
  3. (heraldiek) een teken in de heraldiek
  4. (astronomie) een sterrenbeeld op met Altair als helderste ster
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Verwijzingen


Achterhoeks

enkelvoud meervoud
naamwoord adelaar adelaars
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

adelaar

  1. (vogels) adelaar, arend; een roofvogelsoort
  2. (astronomie) adelaar; een sterrenbeeld op met Altair als helderste ster
Synoniemen
  1. arend
  2. arend


Nedersaksisch

enkelvoud meervoud
naamwoord adelaar adelaars
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

adelaar

  1. (vogels) adelaar, arend; een roofvogelsoort
  2. (astronomie) adelaar; een sterrenbeeld op met Altair als helderste ster
Schrijfwijzen
Synoniemen
  1. arend
  2. arend

Meer informatie