adagium

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ada·gi·um
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘spreuk’ voor het eerst aangetroffen in 1650 [1]
  • uit het Latijn [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord adagium adagia
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

adagium o

  1. spreuk, levenswijsheid
    • We houden vast aan het adagium 'samen uit, samen thuis'. 
    • 'Met een witte blijf je zitten', is het aloude adagium. 
Synoniemen
Opmerkingen
  • Het woord adagio heeft in het Nederlands een andere betekenis, maar wordt soms met adagium verward, omdat de oorspronkelijke Italiaanse term wel de dubbele betekenis heeft.
Vertalingen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
70 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen