aanvulling

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·vul·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanvulling aanvullingen
verkleinwoord aanvullinkje aanvullinkjes

Zelfstandig naamwoord

aanvulling v

  1. het aanvullen
    • Eens per jaar kregen we een aanvulling op de encyclopedie om die compleet te houden. 
  2. het bijgevoegde
    • Het gastcollege was een waarde volle aanvulling op het lesprogramma. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.