vullen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vul·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘vol maken’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vullen
vulde
gevuld
zwak -d volledig

Werkwoord

vullen

  1. overgankelijk vol maken
    • Kun jij die prullenbak even vullen met dat papier daar? 
  2. opvullen.
    • Jij kan je tijd hier wel vullen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen