aanvulsel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·vul·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanvulsel aanvulsels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aanvulsel o [1]

  1. iets dat dient om iets volledig te maken wat nog niet compleet was
    • Lezen en schrijven zijn dan ook geen aanvulsel op het leven, of een compensatie voor het niet kunnen leven, maar veeleer voor een aanzienlijk gedeelte het leven zelf. Zonder reflectie is de daad overbodige versiering, en reflectie vereist woorden, en woorden zijn eerst en vooral het gereedschap, het domein van de schrijver. [2] 
    • Allereerst is er het onvolkomen materiaal. The Indian queen is namelijk Henry Purcells laatste 'semiopera'. Met die onpoëtische term worden Purcells muzikale bijdragen tot theaterstukken aangeduid. In dit concrete geval: een onafgewerkt allegaartje liederen, ensembles en andere aanvulsels op een 'heroïsch toneel' van John Dryden en Robert Howard. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Arnon Grunberg 29 oktober 1999 Een gevaarlijke injectie
  3. De Standaard 16 MEI 2011 Tom Janssens Te veel nihilisme is ook maar niets